Al vanaf dag 1 is hij er. Vanaf de dag dat Razmataz haar deuren opent. Hij hoort bij het plein, bij de buurt. In die 8 jaar wissel ik, denk ik, niet meer dan 100 woorden met hem. Een blik, een knikje is voldoende. In ieder geval voldoende genoeg om hem een figuranten-hoofdrol te geven in de zaak.

In de beginjaren komt hij binnen om goedkeuring te krijgen over zijn tenue; past zijn stropdas bij zijn blouse?, past zijn blouse bij zijn broek?, past zijn broek bij zijn schoenen? en de hoed?.

Er zijn dagen dat hij wel 3 keer per dag binnen komt in een geheel andere outfit. Er zijn dagen dat ik hem aan de overkant van de straat in de buurt tegen kom en dat hij boos op me wordt omdat ik hem geen gedag zeg. Er zijn dagen dat hij op ‘zijn bankje’ in de zon zit en mij geen blik waardig gunt. Gewoon, omdat hij niet elke dag zit te wachten op contact. Hij heeft dan genoeg aan zijn eigen bestaan. Ik begrijp hem. Misschien is dat de rede dat ik hem mag.

Vaak schuifelt hij s ’nachts nog over het terras en vraagt dan terloops hoe laat ik er morgen weer denk te zijn. Als ik dan 1 uur antwoord  dan zit hij al vanaf 11 uur de volgende ochtend op mij te wachten. “Nee, hij wil niet geholpen worden” zegt hij dan tegen mijn collega’s die er al eerder zijn, “ik wacht”!. Als ik m’n fiets op slot zet wenkt hij mij al. Dan geef ik hem een plankje met speciaal voor hem uitgekozen kaas voor een voor hem speciale prijs. Vervolgens trekt hij daarna 3 uur uit om in de zon op het terras “zijn menu” te verorberen.

De dag dat hij 70 wordt laat hij zijn paspoort zien aan iedereen die maar een klein momentje op de dag over heeft, even wat aandacht voor hem heeft. Hij straalt!! Een jarige job zonder woorden of toespraak.

De laatste 2 jaar gaat het steeds een beetje slechter met hem. Ik keur geen stropdassen meer, geen blouse, geen broek, geen schoenen. Ik wijs hem voorzichtig op het feit dat hij zijn t-shirt even over zijn buik moet trekken. Ik geef hem s’ nachts brood en beleg overgehouden van de avond. Hij zoekt in de asbakken naar halve sigaretten. De grapjes worden minder, zijn aanwezigheid wordt grijzer en zwaarder. De levenslust, lijkt het, heeft de benen genomen.

Op een zekere middag komt hij lunchen, met een jongere dame. Zij stelt zich voor als zijn zus. Als hij naar het toilet gaat neem ik haar stiekem even apart; ik wil niet dat hij weet dat ik me zorgen maak. Ze vertelt me dat het slecht met hem gaat sinds zijn buurvrouw, zijn maatje,  overleden is. Hij heeft geen zin meer.

De zorg die hij nodig heeft wordt steeds verder uitgebreid, mede door zijn extreme suikerziekte.  

Ik heb hem nog nooit iets anders dan cola zien drinken.

Een week later komt de buurtregisseur van politie ik die ik al eerder heb ingeschakeld om mijn ‘vriend’ een beetje in de gaten te houden bij mij langs. “Freddy is voor zijn deur in elkaar gezakt.”

Vanaf dat moment is zijn bankje leeg.

We zijn stil.

Een paar dagen later komt Robin naar mij toe vanuit de bar als ik in het restaurant aan het opdekken ben. “Er is een dame  de bar binnen gekomen, ze is nogal in de war, ze zit nu op het toilet, kan jij… eh…. ik ben hier niet zo goed in”.

De dame vertelt me al frunnikend en bladerend in haar totaal volgeschreven notitieboekje dat ze zo eenzaam is, dat haar hondje van haar afgenomen is, dat haar cavia een kooi nodig heeft, dat het geen zin meer heeft om uit bed te komen, dat ze geld heeft geleend van de buurman, dat die stemmen steeds komen als ze alleen is, dat ze daarom niet meer naar huis wil, dat haar begeleider haar telefoontjes niet beantwoordt”.

Ik bel de buurtregisseur. “Aha, mevrouw Jansen, ja, we komen er aan”. Als de agenten arriveren herhaalt ze haar verhaal wel drie keer om hen proberen te overtuigen haar op te laten nemen. Ze weet alle opvang-adressen van Amsterdam uit haar hoofd.  Maar meer dan een escorte naar huis krijgt ze echter niet, “als ze vanavond weer terug komt kunnen jullie gerust weer bellen”.

En zo herhaalt de geschiedenis zich en gaan we gewoon verder waar we gebleven zijn. Buren blijven elkaar missen en soms vangen wij op.    

 

Comment